Het grootste deel van de familie Van Den Dool heeft een protestants-christelijke achtergrond. Toch is er ook een katholieke ‘tak’. Huug van den Dool, auteur van de eerste uitgave van de Genealogie in 1975, vertelt over zijn deel van de familie:
“Toen wij opgroeiden (jaren ’40-‘50) vonden we het heel vanzelfsprekend dat we katholiek waren. De scheiding met de ‘andersdenkenden’ was toen wel heel scherp. Uit de wijze waarop we werden opgevoed volgde min of meer dat we altijd katholiek waren geweest. Al onze familie was katholiek. Het leek onwaarschijnlijk dat het anders had kunnen zijn.
Omdat mijn vader al jong wees was geworden, kenden we geen familieleden met de achternaam Van Den Dool. Maar die bleken wel te bestaan toen we de stamboom gingen uitzoeken (na 1966). En ze waren allemaal protestant, en vaak niet van de lichtste soort. Bij het rondbrengen van het eerste stamboomboek werden er wenkbrauwen gefronst door verre familieleden Van Den Dool die uit hun Heidelbergse catechismus opkeken toen er vrijmoedig werd aangebeld. Die konden zich eenvoudigweg niet voorstellen hoe een Van Den Dool katholiek kon zijn. Of liever gezegd Rooms, een onaangenaam woord dat met weinig aanbevelenswaardige intonatie werd uitgesproken. Ondenkbaar!”

Helemaal niet ondenkbaar. Hugo’s grootvader Marinus Hugo (bl. 286) groeide op in een groot gezin van ‘Afgescheiden’ ouders, die in die tijd (1873-1900) bij de kerk in Delft hoorden. Hij en zijn broers waren nogal avontuurlijk aangelegd en aangezien ze behoorlijk arm waren, trokken ze de wereld over op zoek naar een beter leven. Naar Nederlands Indië (drie van hen), Zuid Afrika (het merendeel van de familie + overgrootouders), en een zeevarende op de grote vaart. De generatie van Huugs grootvader ontwikkelde zich snel in weinig orthodoxe richting. “Grote monden, driftig, geen makkelijk stelletje.”
Na een ‘wilde diensttijd’ voor het KNIL in Indië keerde Tinus terug naar Delft. Van enig kerkbezoek is uit die tijd weinig bekend. Hij woonde in, onder meer bij de zeer arme weduwe Maria Margaretha Wiericx-Rethans, die zich een inkomen trachtte te verschaffen o.a. door het houden van kostgangers. Zij was katholiek van huis uit, maar evenmin kerkgaand in die tijd (1900-1910). Tinus en zij trouwden in 1910. Er was geen familie meer in Delft achtergebleven om deze ontwikkeling met sociale druk tegen te houden.

De vader van Huug, Hugo Marinus, (blz. 287) is in 1911 geboren en werd niet gedoopt. Op zondagochtend speelde hij als knaap onbekommerd op straat of ging met z’n vader naar boksen en worstelen kijken. Dat veranderde na de dood van zijn vader in 1921. Zijn moeder, gedreven door de armenzorg volgens sommige verhalen, heeft toen haar drie kinderen Van Den Dool katholiek laten dopen. Zij stierf zelf korte tijd later en de kindertjes zijn toen verspreid in katholieke weeshuizen opgegroeid. Er was kennelijk noch van vaders, noch van moederszijde familie die wilde ingrijpen als voogd of adoptief ouders. Eenmaal was er bezoek van een oom uit Zuid Afrika.

Van een familieband was nog minder te bekennen toen de jonge Hugo Marinus in 1929 op 18-jarige leeftijd als onderwijzer uit het weeshuis/internaat kwam. Hij trouwde later met een degelijk katholiek meisje, een collega-onderwijzeres in Alphen a/d Rijn. Hij was de enige van zijn familie die op de bruiloft aanwezig was. De protestantse familietraditie was hiermee weggevaagd, bestond niet meer voor zover het de opvoeding van hun zes kinderen betrof.

De vertegenwoordiging van ‘bevindelijk gereformeerden’ onder de Van Den Doolen is nogal groot. Inmiddels is het moeilijk voor te stellen hoe groot de tegenstellingen tussen geloofsrichtingen vroeger waren, maar toch was het zo. “Het was niet best ‘een Roomse’ te zijn als je naar het schelden op straat luisterde. Wij scholden terug en gaven ze van katoen, zelfs als ze Van Den Dool heetten, want dat kon nooit familie zijn,” aldus Huug.

Zijn broer Joanes D.J. van den Dool is in de jaren ‘60 begonnen met het stamboom-onderzoek. Ook dat is een bijzonder verhaal:
1966. “Telefoon voor kapitein Van den Dool”, sprak Wil, de huishoudster op de pastorie te Rijswijk, met een wat bevreemde blik. Hoewel ik in die dagen getooid was met de titel kapelaan, begreep ik dat het voor mij was, en begaf mij naar de telefoon in de gang. De beller was een enigszins opgewonden oudere heer, die wilde weten of ik misschien familie van hem was. Hij heette namelijk ook Van den Dool, woonde niet erg ver van Rijswijk in Leidschendam en had gehoord dat er in de Rooms Katholieke pastorie ‘een kapitein Van den Dool’ was komen wonen. Dat een vertegenwoordiger van een bijna puur reformatorisch geslacht enige moeite had met ‘paapse’ titulatuur, zal mij toen ongetwijfeld verbaasd hebben. Nu heb ik er alle begrip voor, want na jaren van stamboomonderzoek weet ik dat ons kleine takje er een ‘on-dools’ geloof op nahoudt: Van den Doolen zijn calvinisten! Maar dat wist ik toen nog niet. En hoe opmerkelijk dat het stamboomonderzoek zijn oorsprong heeft in een RK-pastorie.
De man die mij opbelde was Cornelis van den Dool (bl. 292), hij was geboren op 22 september 1883 en bleek een broer van mijn grootvader Marinus Hugo (bl. 286) , geboren op 10 juli 1877, die al in 1921 overleden was; vandaar dat wij elkaar niet kenden. Het telefoontje leidde tot een bezoek. En bij dat bezoek kwam de familiebijbel op tafel. En in die bijbel waren, traditiegetrouw, de familiegegevens bijgehouden. Die prikkelden mijn nieuwsgierigheid. Ik besloot ze wat nader te gaan onderzoeken.
In eerste instantie deed ik dat samen met een collega. Op een mooie vrije dag stapten wij in Rijswijk op de fiets en reden via plaatsen als Bergambacht en Ammerstol richting Schoonhoven, om daar via de pont over de Lek in de Alblasserwaard te geraken. In het gemeentehuis van Noordeloos verzamelden wij alles wat daar over Doolen te vinden was, maar we wisten geen verband te leggen met de familiebijbel van Cornelis.
Vervolgens trok ik er met mijn broer Huug op uit. En dat leidde tot de eerste editie van de Genealogie (1975).